Marita Mathijsen schrijft in haar column in de wetenschapsbijlage van NRC over het tekort aan leraren. Er wordt vaak geopperd dat een gebrek aan status en salaris van leraren de reden is dat jongeren geen leraar willen worden, en dat het beroep van leraar beter gepromoot moet worden.
Volgens Mathijsen denkt terug aan haar eigen studententijd: zodra zij en haar studiegenoten hun kandidaats (zoiets als nu de bachelor) hadden, werden ze gerekruteerd als leraar op een middelbare school. Dat betekende geld om van te leven, en de mogelijkheid om langer door te studeren. En vaak bleek dat lesgeven ook nog leuk.
Ook studenten van nu willen langer doorstuderen, en willen bijvoorbeeld aio worden. Toch ook een baan met maar weinig status en salaris, en bovendien nog eenzaam. De oplossing, voor het gebrek aan academisch gevormde docenten en de eenzaamheid van de aio: de LAIO, leraar-assistent in opleiding. Een baan met een beter salaris dan aio, waar je een deel van de tijd lesgeeft op een middelbare school (zin aan je leven! concreet werk! mensen om je heen!) en de rest besteedt aan een promotie-onderzoek (langer studeren!).
Min of meer het omgekeerde gebeurt er nu in het Dudoc-programma, waarin bètadocenten uit het voortgezet onderwijs onderzoek doen naar onderwijsvernieuwing. Dus inderdaad een paar dagen in de week les blijven geven, en een paar dagen onderzoek doen – maar dit is wel didactisch onderzoek, dat direct gerelateerd is aan dat lesgeven. En het gaat om docenten die al (enige) ervaring voor de klas hebben.
Hoe leuk het ook klinkt, ik zie – natuulijk – wel wat beren op de weg… bijvoorbeeld:
- Zoals bekend zijn onderzoek en onderwijs niet altijd bij dezelfde mensen in goede handen. Maar goed, wie slechts één van beide wil doen, wordt natuurlijk geen laio.
- Het zou mooi zijn als de onderzoeks- en onderwijswerkzaamheden van zo’n laio elkaar zouden ondersteunen. Bij het Dudoc-project kan je je daar wel iets bij voorstellen (hoewel het in de praktijk best tegen kan vallen), maar een gemiddeld promotieonderzoek aan pakweg de ontwikkeling van amorf-silicium zonnecellen heeft niet zo veel te maken met de natuurkundeles in 3 havo.
- Het voortdurend heen- en weerschakelen tussen de hectische school en de ..ehm.. rust van de universiteit valt niet altijd mee. (Toch, Machiel?)
- Het vereist (maar dit is behalve een probleem ook mogelijk een positieve bijkomstigheid!) een mentaliteitsverandering: aio’s worden geacht min of meer dag en nacht met hun onderzoek bezig te zijn, een wetenschapper is immers monomaan. Dit geldt overigens misschien wel meer voor de bèta’s dan de alfa’s. Hoe dan ook: met die instelling wil je als prof geen laio hebben. Iemand die twee dagen in de week op school lesgeeft, in plaats van onderzoek te doen, die kan nooit écht gemotiveerd zijn…
Aan de andere kant, en om positief af te sluiten: de LAIO zou veel goed kunnen doen. Een brug slaan tussen onderzoek (en onderwijs) aan de universiteit en het middelbaar onderwijs. Niet alleen zien leerlingen iemand voor de klas staat die ook echt onderzoek doet, maar de andere onderzoekers aan de universiteit hebben opeens een collega die lesgeeft aan echte leerlingen. En wie tegen de wisselbaden van hectiek en rust kan, heeft er een afwisselende baan aan.
Wat jullie?
Filed under: Education, Nederlands