Grote vragen, nut en motivatie

Op verzoek van Frank een iets ‘ruimere bocht’ over de motivatie van leerlingen voor natuurkunde en het verband met grote vragen en nut.

Ik denk dat het gaat om ‘nut’ (van het vak voor de leerling) voor nu of later. Je bent gemotiveerd voor een vak als je denkt dat je daar nu of later iets aan hebt.

Wat dat nut voor nu betreft: ik denk niet dat ze zozeer geïnteresseerd zijn in hoe een mobieltje werkt – als die het maar doet maakt het verder niet uit hoe of waarom, maar ze zijn misschien wel ‘dagelijks’ bezig met de vraag ‘wie ben ik?’.
Natuurlijk zijn er ook ‘techneuten’ die vanwege het knutselen, de techniek, het brommers repareren, van beta-vakken houden.

De ‘praktische’ kant van die vraag is bijvoorbeeld: wat wil ik later worden? (en heeft dan dus direct te maken met het ‘nut voor later’). Voor vmbo-leerlingen is dat ‘later’ veel dichterbij dan voor vwo-ers: ze gaan misschien wel 6 jaar eerder ‘echt’ werken. Ze zijn dus eerder geïnteresseerd in of een vak later nuttig voor hen zal zijn, in vervolgopleiding en beroep. Voor vwo-ers geldt dat ook wel, zeker als ze al een duidelijk idee hebben wat ze willen worden (“ik moet wel natuurkunde kiezen want ik wil geneeskunde studeren”), maar ik vermoed niet zo algemeen en niet zo sterk.

De meer theoretische kant van de wie-ben-ikvraag zou dan dingen kunnen zijn als: wat betekent het een mens te zijn, wat is mijn plaats in de wereld, en – om bij de natuurkunde uit te komen: hoe zit de wereld in elkaar? Ik denk dat dat soort vragen, net als de meer praktische, in principe ook bij iedereen wel een rol spelen, maar bij bijvoorbeeld vwo-ers wat meer.

Natuurlijk worden dit soort ‘grote vragen’ in alle vakgebieden gesteld. Literatuur, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie geven ook antwoorden op de vraag hoe de wereld in elkaar zit. Het is dan weer per persoon verschillend welke van die vragen je interessant vindt, of in welke richting je bij voorkeur antwoorden zoekt.

Advertenties