Dinsdagmiddag: onderwijspoëzie

(Dinsdag, dinsdag? Het is woensdag! Dankje, Bart.)

In plaats van een gedicht over wetenschap waar de wetenschap met de haren bij wordt gesleept, nu eens iets over onderwijs.

Wie wil er tegenwoordig nog voor de klas? Ook in de negentiende eeuw, zo blijkt, liet het imago van de leraar schoolmeester nogal te wensen over.

Schoolmeesters

Hij die, uit vrije keus,
En in zijn achter kamer,
Met hoofdpijn als een hamer,
En volgestopten neus,
Met klemming op zijn water,
En lusten als een kater,
En met een stijven nek,
En vijf gebroken ruiten,
En deuren, die niet sluiten,
En ’t Pootjen in zijn kuiten,
Er uitziet als een gek;
Is min nog te beklagen
Dan hy, die drie paar dagen,
In ’t woelziek schoolvertrek,
De veestlucht en den drek,
De snotneus, d’Ezelsvragen,
’t Afzichtlijk nagelknagen,
Het krabblend luis-verjagen,
De vuile witte kragen,
En ’t hartverduiv’lend plagen
Der Jonkheid moet verdragen.

De schoolmeester

Dezelfde ‘Schoolmeester‘, pseudoniem van Gerrit van de Linde (1808-1858), had overigens ook een positievere kijk op het leraarschap in de aanbieding:

Ik zeg maar, het is veel lolliger om te vragen dan te antwoorden en sints ik schoolmeester ben begrijp ik duidelijk waarom ik te voren altijd dacht dat de professors zooveel knapper waren dan ik, omdat zij altijd vroegen en ik alleen mocht antwoorden.

(Via Laurens Jz. Coster. )

Advertisements